S9 - Book
A, Architektron Urania
Astronomy / Navigation / After Midnight / Ivory
/ Shelter /
Urania
Stadsmarkering S9 staat voor het negende teken
(de A) in de naam CRUONINGA. Het kunstwerk staat op een weinig
aantrekkelijke locatie, ingeklemd tussen twee spoorlijnen – richting
Haren / Assen en richting Hoogezand - , een industriegebied, een
sportveld en een volkstuinencomplex. De markering is ontworpen door de
Estlandse architect Leonhard Lapin, als een ‘toren’ in de vorm van een
wit geschilderde wenteltrap, ca. 18 meter hoog. Bovenop is een metalen
plaat scheef gemonteerd.
Tot 2002 was het kunstwerk
bereikbaar via een achteraf weggetje: de Kooiweg, van de Helperzoom
naar het industrieterrein aan het Winschoterdiep. Deze weg die de twee
sporen kruiste is voorjaar 2002 afgesloten en vervangen door een
fietstunnel iets verderop. Sindsdien kun je niet meer op een normale
manier bij de markering in de buurt komen. Fotograferen kan nog het
beste vanaf het voetbalveld aan de Kooiweg. Of met vaste hand vanuit de
trein.
Leonhard Lapin
Leonhard
Lapin (1947) is een Estlandse architect en beeldend
kunstenaar. Ook is hij bekend als dichter onder de naam Albert Trapeež. Hij
studeerde van 1966-1971 architectuur aan de Eesti KunstiAkadeemi (Estonian
Academy of Arts) in Tallin . Nu doceert hij aan diezelfde
academie. Lapin is altijd een belangrijke figuur geweest in de Estse
avantgarde beweging, o.a als lid van de non-conformistische groep
ANK’64 en als een van de voormannen van de latere, op pop-art
georiënteerde SOUP’69 (een verwijzing naar Andy Warhols Campbell’s Soup
Cans, 1962). 'When American pop
artists took mass culture to high art, then Estonian pop artists turned
the Soviet ‘low’ mass culture into an elitist and witty ‘union pop’
(Soviet pop) [...]' (Bron: Culture
Estonica: Changes in mentality).
Suprealisme
Lapin’s artistieke opvatting heeft
hij zelf in 1993 samengevat in het begrip suprealisme.
In zijn Suprealist
Manifesto (2007) staat daarover te lezen: 'Suprealism corrects the relationship between
"high" and "low" art, bringing popular kitsch to exhibition halls and
elitist ideas to the masses'.
Dat klinkt nog vrij abstract. In een ander artikel Suprealist
art, suprealist life maakt Lapin het iets duidelijker: 'The term "suprealism" emerged
quite naturally: its first half originates from the "suprematism" of
the early twentieth-century Russian avant-garde, which claimed to
represent the highest form of being, abandoning Earth and conquering
space. The other half relates to the familiar, dogmatically imposed
"realism", which was the only officially tolerated style under
communist rule.
[…] An important event in the
history of suprealism happened in 2001, when the Estonian Art Museum
held an exhibition on the anniversary of the nineteenth-century
Estonian academic painter Johan Köler. The exhibition was advertised
with posters representing Köler's sugary painting "A maid at a well",
sometimes ten times the size of the original. Since during the Soviet
rule, Köler was officially turned into a predecessor of socialist
realism, our generation has a complex and ambiguous relationship with
this master. When the 2001 exhibition repeated the old stereotypical
clichés about the artist, I expressed my disappointment by relating the
exhibition posters to modern commercial packaging, advertisements, and
catalogues. It was the starting point of the series "Suprealist
artists", which I am still continuing, using cheap reproductions of
classical and modern art and packages, puzzles, flyers, ads, and so on,
belonging to the contemporary consumer world. I use them to make new
visual structures for the new century.'
Architectuur
Over Lapins productie als architect
heb ik slechts enkele aanwijzingen kunnen vinden. Onder andere deze
bespreking van de Tallin School: 'But in the 1970s the
Estonians, experiencing an ever-intensifying identity crisis, turned
increasingly to their own architects. The 1970s and '80s did see a kind
of boom in villa-style architecture, which at first followed the
neo-Functionalist line inherited from the independence era (1918-1940)
and, later, the showy trend carried over from international Modernism.
This extraordina ry movement, unique in Eastern Europe, can be
characterized as follows: whereas the Poles mounted barricades to
oppose the Russian supreme power, the reserved Estonians headed home to
their building scaffolding -- both clutching the flag of Freedom and
Solidarity. It was this villa boom of the '70s that gave birth to the
Tallinn school of architects -- the school of Estonian architecture
most recognized internationally -- which approached design from the
experience of international Functionalism, the style which offered the
best creative potential considering the primitive building technology
and very limited building materials available in the Soviet Union.
Leaders of the Tallinn school -- Toomas Rein, Veljo Kaasik, Vilen
Kunnapu, Ain Padrik, Avo-Him Looveer, Leonhard Lapin and Tiit Kaljundi
-- continue to have a significant impact on architecture and city
planning, architectural training and the ideology of architecture
today…' (Letter
from Tallinn, Architectural Review, The, May, 2001 by Leonhard Lapin)
In een lang artikel bespreekt de
Estlandse architectuurhostorcus Andres Kurg o.a. Lapins ontwerp City of
the living – City of the Dead (1978) 'The design proposed to create
cemeteries in between the panel houses in the public areas, usually
used for parking cars or walking dogs. The cemetery would include
garages as tombs and bodies would be buried in cars; and the area could
function simultaneously as a children’s playground. This idea for
improving the stark residential areas meant extending the concept of
the new towns ad absurdum: that the inhabitants need never leave the
areas, “they need never cross the highways.” '.
(Bron: Andres
Kurg, « Critique of Industrialization and Non-Institutional
Architecture: Architectural Exhibition by the Tallinn School in 1978 » ).
Opmerkelijk is de verwijzing naar
Lapins belangstelling voor het boeddhisme. In 1984 kreeg
Lapin de opdracht om een klooster te bouwen voor de Estonian
Buddhist Brotherhood.
Architektron
Urania
Veel voorkomende thema’s
in Lapins werk zijn visuele processen, geometrie, taal en tekens. Zijn
in series geschilderde barcodecomposities
herinneren aan de Op Art uit de jaren 60.
Een ander thema is de relatie tussen natuur, mens en machine. In die
categorie past ook deze stadsmarkering. Lapins bedoeling was om dit
teken te ontwerpen als een observatorium, een instrument waarmee de
bezoeker de omgeving kon observeren, niet alleen de aarde beneden maar
vooral ook de komos boven hem. Lapin geeft in het boek Stadsmarkering
slechts een paar korte punten toelichting. Ik vertaal ze maar op mijn
eigen manier.
Voor
treinreizigers van en naar Groningen is deze markering een
navigatiebaken, een miniatuur vuurtoren.
Dit witte torentje verwijst volgens
Lapin naar de legende van de Ivoren Toren en de kleur van ivoor. Wat
bedoelde Lapin hiermee? Had hij de Bijbeltekst van het Hooglied voor
ogen? Meer voor de hand ligt de modernere betekenis van de ivoren toren
als een plek voor overpeinzing, ver weg van het dagelijkse leven. Deze
uitleg is terug te voeren op het teruggetrokken bestaan van een Franse
dichter, Alfred
de Vigny. Maar de ivoren
toren kan ook nog andere betekenissen hebben.
De toren is
gebouwd als een wenteltrap, een dubbele spiraal (helix). Die spiraal
verwijst naar de spiraalvorminge structuur van het DNA,
de basis van het leven.
Wie de toren
beklimt, tree voor tree, kan dat ervaren als een moment van meditatie.
De terugweg is misschien nog wel belangrijker.
Nogal
cryptische, wollige woorden. Maar ja, het past wel in het toch al
raadselachtige masterplan van Libeskind. Meer kon ik er tot nu toe niet
van maken. Maar als je leest dat Lapin een boeddhistenklooster
heeft gebouwd is het zeer aannemelijk dat hij met
deze wenteltrap ook een relatie heeft gelegd met zijn
boeddhistische interesse.
Bij yoga
en meditatie staat de beheersing van energiestromen en energievelden
(chakra’s) centraal. Door meditatie breng je stapsgewijs je spirituele
energie naar een hoger peil, waar je in contact kunt komen met een
kosmisch bewustzijn. Maar ook in omgekeerde richting is het mogelijk
dat je door meditatie ervaart hoe spirituele kracht van
bovenaf in je neerdaalt.
Die energiestromen worden vaak uitgebeeld door twee met elkaar vervlochten
slangen. De slang is een van de oudste en meest verbreide diersymbolen
ter wereld, soms met een positieve, soms met een negatieve betekenis.
De dubbele slang als drager van kosmische levensenergie is vooral
bekend uit de Hindoeïstische Kundalini
traditie.
Maar die slangensymboliek
komt ook voor in de Griekse mythologie (de staf van Hermes, de caduceus,
een gevleugelde staf met twee slangen ; en de staf van Asklepios, het esculaapteken
met één slang).
Op het
bovenste niveau van de toren is een observatiepost waar de bezoeker ’s
nachts het ‘kosmische boek’ kan lezen. De bezoeker verliest tijdelijk
het contact met de aarde beneden en komt terecht in de wereld
van de geest. Hij ondervindt daar verlichting.
Dat laatste nam Lapin in zijn
ontwerp zelfs letterlijk: naderende treinen moesten de neonverlichting
van de toren inschakelen. Die verlichting werd automatisch weer
uitgeschakeld als de trein voorbij was. Die (spirituele) verlichting
is overduidelijk weer een verwijzing naar het
boeddhisme of hindoeïsme.
Tenslotte is er
veel overeenkomst tussen het Kundalini symbool met de
twee slangen en de dubbele DNA-spiraal. Het zijn allebei
levenssymbolen, de eerste in een spirituele zin, de laatste in een
wetenschappelijke context. Je zou Lapins toren of wenteltrap dus ook
kunnen beschouwen als een soort levensboom, in elk geval de stam ervan.
In Lapins oorspronkelijke ontwerp
was zijn toren veel hoger (ca.37 m, ongeveer even hoog als markering
S1, de elektriciteitsmast van Kurt Korster). Bovenin had hij eerst een
groot platform getekend, met een klein sterrenwachtkoepeltje, compleet
met telescoop. Om financiële redenen moest het allemaal een stuk
simpeler, net als bij de meeste andere markeringen trouwens. De hoogte
werd gehalveerd, naar 18 m. In plaats van het platform kwam er nu een
scheef gestelde metalen plaat met een spiegelende onderkant.
De plaat stelt een grens voor, maar ook een toegangspoort, een deur
naar een andere werkelijkheid. De spiegel moest dat effect
versterken: je ziet jezelf erin, op de grens van de
dagelijkse en die andere werkelijkheid. Ook zou het licht van naderende
treinen in die spiegel weerkaatsen.
De aan en uit flitsende verlichting van de
toren kwam er niet. De NS zag er een veiligheidsrisico in:
machinisten konden door die verlichting afgeleid worden. Ook het
daadwerkelijk beklimmen van de trap werd uit veiligheidsoogpunt
onmogelijk gemaakt door de treden van de onderste 3 meter te
verwijderen. En sinds 2002 is het hele kunstwerk onbereikbaar, voor het
gewone publiek dan. Graffitispuiters laten zich echter niet zomaar
tegenhouden. Ze hebben de trap van onder tot boven van tags
voorzien, onder meer - heel toepasselijk
- het woord SPACE.
De naam Architektron
Urania zoals Lapin zijn markering doopte wil er bij mij
niet in. Voor deze markering, waar ik in de trein bijna dagelijks
langskom, vind ik Stairway to Heaven
een veel passender naam. Met dank aan Led Zeppelin.
Leonhard
Lapin - expositie Signs and Void
The Signs and Void exhibition features his major works – paintings,
sculptures and graphics from the 1960s to the present day.
3.10.2009 - 10.1.2010 Taidemuseo Hämeenlinna, Finland