Zwerfsteenonderzoek(ers)
De studie van zwerfsteenvoorkomens is in Nederland ooit een belangrijk
onderwerp van de geologische wetenschap geweest. Tegenwoordig is deze beschrijvende
zwerfsteenkunde het werkterrein van slechts een handjevol professionele
onderzoekers en vooral amateurgeologen, o.a. verenigd in het Nederlands
Zwerfsteensymposium.
Belangrijke onderzoeksthema's zijn:
- De typologie van zwerfstenen en van het oorspronkelijke moedergesteente
in de herkomstgebieden. Beschrijving van zwerfsteenvoorkomens, zwerfsteengezelschappen
en zwerfsteentellingen. Als een bepaalde gesteentesoort met enige zekerheid
kan worden gerelateerd aan een eigen herkomstgebied spreek je over een
gidsgesteente.
Zuidelijke en Oostelijke gidsgesteenten zijn afkomstig uit België, Frankrijk
of Duitsland. Met name uit de Ardennen, de Eifel, het Sauerland, de Taunus,
de Hunsrück en het Thüringerwoud.
Noordelijke gidsgesteenten komen uit het Scandinavische gebied, dat is
onderverdeeld in vier regio's: het Oost-Balticum (Finland, Botnische Golfgebied,
Noord-Zweden), het Midden-Balticum (Midden-Zweden, Midden-Oostzeegebied),
Zuid-Balticum (Zuid-Zweden, Zuidelijke Oostzee, Bornholm), Zuid-Noorwegen
(Oslogebied).
- Gesteenten, dus ook zwerfstenen, worden ingedeeld in drie hoofdgroepen:
magmatische gesteenten (stollingsgesteenten), afzettingsgesteenten (sedimenten)
en metamorfe gesteenten.
Gesteenten zijn echter niet op eenzelfde manier in te delen als planten
of dieren. De grenzen tussen bepaalde soorten zijn dikwijls niet scherp
afgebakend. En er zijn allerlei overgangstypen. Vergelijk het met een vlaflip
die stevig door elkaar is geroerd. Elke schep ziet er anders uit. Vanille- of chocoladevla
kun je het niet meer noemen. Maar wat dan wel? De naamgeving van steensoorten
is een knap lastig onderwerp.
Het aantal benoembare gidsgesteenten is beperkt. De meeste Noordelijke
gidsgesteenten zijn kristallijne (stollings-) gesteenten van Fennoscandinavische
herkomst.
- onderzoek naar de wijze waarop zwerfstenen hier in Nederland zijn beland.
Hetzij in afzettingen van grote rivierstromen - de voorlopers van Rijn
en Maas -, of als grondmorene van reusachtige gletsjers in de voorlaatste
IJstijd (het Saalien). Studie van de overblijfselen van deze grondmorene
verschaft steeds meer duidelijkheid over de richting en de mogelijke bewegingen
van het landijs. Onder andere op grond van de gelaagdheid en andere kenmerken
van het zgn. keileem. Keileem is de mix van zand, klei, grind, zwerfstenen
en rotsblokken die onderin de IJstijdgletsjers werd meegevoerd. Eigenlijk
een natuurlijk soort beton. Er bestaan verschillende typen keileem naargelang
de samenstelling (bijvoorbeeld kalkrijk of kalkarm) en de erin voorkomende
gesteenten. Ten noorden van de lijn Hilversum - Nijmegen, de grens van
het landijs, zijn er verschillende plaatsen waar je nog kunt zien dat de
bodem resten van dit morenemateriaal bevat. Vooral in de provincies Drenthe,
Groningen en Friesland kun je veel zwerfstenen vinden.
- 'Het is nog niet zo heel lang geleden, dat de boeren in het midden en oosten
van ons land ervan overtuigd waren, dat stenen, net als planten, konden
groeien in de bodem. Hoe was het anders te verklaren dat elk jaar bij het
ploegen van de akkers stenen aan de oppervlakte kwamen in nooit verminderende
hoeveelheid?' (G.D. van der Heide en W.Tj. Hellinga: 'Zwerfstenen'. 1974, p. 116)
Er is ook het verhaal over een Zwitserse geoloog, De Luc, die in 1778 de
Hondsrug bij Groningen bezocht. Toen hij daar grote aantallen kalkstenen
en granietkeien zag veronderstelde hij dat er in de omgeving ooit een kalksteen-
en granietberg geweest moest zijn. Hij beklom zelfs de Martinitoren om
te zien 'of hij van deze hoogte nog eenig spoor van een zodanigen heuvel in het
land mogt ontdekken' (F.J. Faber: 'Nederlandsche landschappen'. 1942. p. 209)
De Groningse hoogleraar F.J.P. van Calker maakte uitvoerig studie van de
noordelijke zwerfstenen ('Die kristallinischen Geschiebe der Moränenablagerungen
in der Stadt Groningen', 1912). Al eerder, in 1881 propageerde hij als
eerste Nederlandse geoloog de theorie van het transport door landijs.
- In de jaren '20 verminderde de belangstelling van vakgeologen voor de zwerfsteenkunde.
Heel opmerkelijk, want tussen 1920 en 1950 kwamen uit de nieuw ontgonnen
heidevelden juist enorme hoeveelheden stenen tevoorschijn. Deze gebieden
werden een paradijs voor een bont gezelschap amateurgeologen en stenenliefhebbers.
Eén naam wordt nog steeds genoemd als dè grote promotor van de Nederlandse
geologie, en speciaal de zwerfsteengeologie: P. (Pieter) van der Lijn (1870
- 1964). Zijn 'Keienboek' wordt algemeen beschouwd als een standaardwerk.
Er verschenen tot dusver zeven drukken, de laatste in 1986.
- Van het 'Keienboek' bezit ik een tweede druk uit 1943 en de zevende druk
van 1986. Daarnaast heb ik ook de volgende - soms antiquarische
- boektitels in mijn verzameling:
J.B. Bernink: 'De keien onzer heiden'. 1942.
H. Krul: 'Stenen zoeken'. 3e dr. 1972.
H. Krul: 'Zwerfsteenfossielen van Twente'. 1954.
G.D. van der Heide en W. Tj. Hellinga: 'Zwerfstenen'. 1974.
P. Schuijf en B. Boelens: 'Fossielen uit noordelijke zwerfstenen'. 1949.
- Pieter Schuddebeurs (1915 - 1993) was na P. van der Lijn jarenlang de
nestor van de Nederlandse zwerfsteenkenners. Hij kreeg voor zijn werk de
P. van der Lijn-onderscheiding en in 1992 de Zilveren Anjer.
Samen met vier andere stenenzoekers volgde ik een zwerfsteencursus
onder leiding van Pieter Schuddebeurs. Bij hem thuis leerden wij verschillende
zwerfsteentypen determineren. En vooral nauwkeurig observeren. Dat gebeurde
in een heel amicale sfeer. Maar je moest het niet wagen om alleen maar
af te gaan op de buitenkant van een steen. Dan stond Pieter meteen klaar
met zijn moker om een stukje van je kostbare vondst af te slaan. De binnenkant
moest ook bekeken worden. Ik beschouw het als een voorrecht om Pieter Schuddebeurs
gekend te hebben.
- Opvolger van P. Schuddebeurs is ongetwijfeld J.G. Zandstra (1927 -). In
1988 publiceerde hij een nieuw standaardwerk: 'Noordelijke kristallijne
gidsgesteenten', 1988. En in 1999 verscheen de bijzonder fraai uitgegeven
'Platenatlas van noordelijke kristallijne gidsgesteenten'. De foto's in
dit boek zijn van onschatbare waarde bij het determineren.
- Als het in Groningen over
zwerfstenen gaat, moet je bij Harry Huisman zijn. Van jongsaf aan
hadden stenen zijn interesse. En dan vooral de kalksteenfossielen, die
rond Groningen in overvloed te vinden zijn. Maar Harry is een echte
duizendpoot, hij weet ook alles van rapakivi's, van het Drentse en het
Groninger landschap, van het fotograferen van stenen en nog veel
meer. Jarenlang beheerde hij de geologische collectie van het
Natuurmuseum. En je kon altijd langskomen om een steen
te laten determineren. Ook bij hem heb ik een stenencursus gevolgd, met
daarbij prachtig fotomateriaal.
|
vorige | volgende
Zwerfstenen - overzicht
|